content

Gestrande walvissen in Rotterdam

Bij Hoek van Holland en op de stranden en zandplaten bij de Zuid-Hollandse eilanden spoelen zo nu en dan dode walvissen aan. Dat trekt altijd veel belangstelling van zowel het publiek als de wetenschap. Het opruimen van een gestrand kadaver is lastig, zwaar en vies werk.

Twee enorme potvissen

Op 24 februari 1937 strandden bij Terneuzen twee potvissen (tandwalvis). Sinds 1871 was er niet meer een dergelijke dier aan de Nederlandse kust aangespoeld. De grootste van beide potvissen was 16 meter lang, had een staartvin van 4 meter lengte en woog tussen de 40 en 50 ton. Op 2 maart werden beide potvissen de Rotterdamse haven in gesleept met als eindbestemming het destructiebedrijf in Overschie. Saillant detail: voor het verslepen werden ze eerst opgepompt om het drijfvermogen te verhogen!

Rotterdamse handelsgeest

Toen kwamen er uit het hele land verzoeken om de potvissen te bekijken. Aangezien het een zeldzaamheid was dat een potvis aanspoelde, werd daar grif gehoor aan gegeven. Ingepakt in balken voorzien van staaldraad werden ze met drie grote bokken naar de Parkkade vervoerd. Het duurde uren voor de grote potvis op het droge lag, daarna volgde de kleine potvis. Ad hoc werd er een toegangsprijs geheven: tien cent voor werklozen, een kwartje voor werkenden.

Stank

Wat men echter vergeten was, was de enorme stank die de kadavers afscheidden en tot ver in het stadscentrum te ruiken was. Het regende dan ook klachten, maar de beesten konden niet op korte termijn worden opgehaald. Wie dicht in de nabijheid van de vissen kwamen, was óf een zware roker, óf bond een zakdoek voor. Ieder ander keerde snel huiswaarts. De beesten werden ter plekke ontleed, hetgeen meer dan een week duurde. Op 11 maart lagen er alleen nog twee monsterachtige koppen op de kade.

Wat over bleef

Het vlees werd verwerkt in Overschie met als resultaat ongeveer 6 ton traan. Dichter-zanger Koos Speenhoff maakte nog een lied op de potvissen: ‘Rust in vrede, potvisschen!’. Het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, dat slechts enkele beenderen van een potvis bezat, kocht de gave exemplaren van de man die ze had ontdekt. Hij werd immers als eigenaar beschouwd. Ongeveer 40.000 ‘pottenkijkers’ hadden tussen 2 en 11 maart de dieren aanschouwd. Men ging ervan uit dat ‘menschelijkerwijs gesproken het nu levende geslacht nooit weer zulke zeemonsters zal kunnen bewonderen’.

Vinvis in de Margriethaven

Maar op 7 mei 1972 vond een bootsman in de Prinses Margriethaven een dode vinvis (baleinwalvis). Het 14 meter lange dier met een gewicht tussen de 12 en 15 ton hinderde de scheepvaart en werd zo snel mogelijk versleept naar het ROTEB-terrein aan de Maashaven. Daar werd het met kraanwagens op het droge gebracht. Het beest was al drie dagen dood en had zware verwondingen. Met vermoedde dat het door een scheepsschroef was geraakt en vervolgens door een containerschip was meegesleurd. Hoe had het dier anders onopgemerkt vanuit zee de Nieuwe Waterweg op kunnen drijven om pas ver landinwaarts te worden ontdekt? Het kadaver werd uitgebeend door een aantal biologen en ook nu gingen de skeletdelen naar Leiden.

Vinvis op de Maasvlakte

Op 10 november 1986 herhaalde zich het tafereel toen een Noordse 10 meter lange vinvis, deze keer levend en wel, aanspoelde op de Maasvlakte. Het nog jonge dier was de weg kwijtgeraakt op weg naar het zuiden en overleed kort daarna. Deze keer werd het niet uitgebeend maar in zijn geheel geconserveerd. Ook dit dier trok de nodige kijkers. Sommigen liepen 7 km om het te zien.

Meer walvissen op de Maasvlakte

Op 29 september 2003 werd een verdwaalde bultrug (baleinwalvis) uit de Nieuwe Waterweg naar open zee gesleept maar strandde helaas een week later alsnog op de Maasvlakte. Op 12 november 2006 spoelde een dode vinvis aan op de Maasvlakte maar dreef weer weg richting Hinderplaat. Een poging om het dier op het strand van Ouddorp te slepen mislukte. Uiteindelijk spoelde het dier uit zichzelf aan. Het snijteam van Natuurmuseum Naturalis heeft beide dieren ter plekke uitgebeend en bewaart de skeletten in de wetenschappelijke collectie van het museum.

Op de bulb van een containerschip

Eind augustus 2011 voer een containerschip de Rotterdamse haven in met een dode vinvis op de voorsteven ‘geplakt’. Naturalis prepareerde de vin van de vinvis in een ruimte waar het publiek mee kon kijken. Het was de bedoeling daarbij ook de schedel van het dier te tonen maar die stonk te erg om aan publiek te tonen.

Op 6 juni 2012 werd alweer een dode vinvis door een containerschip de haven ingesleept. Het dier hing over de ‘bulb’, het bolvormige uitstekende deel van de boeg. Dit keer onderzocht de Universiteit Utrecht het karkas; het kostte 30 uur snijden om het volledig op te ruimen!